De zaak van de Heer

De zaak van de Heer, Mt.26: 63-66; Mk.14: 61-64; Lk. 22:66-71

’s Morgens vroeg op de dag vóór de sabbat kwam de Raad van Oudsten van het volk bijeen, zowel de hogepriesters als de Schriftgeleerden en Jezus werd naar hun raadsvergadering gebracht.[i] Diverse uitspraken van Hem waren het onderwerp van geschil. Op grond van 2 Kron.19:11 waren deze uitspraken gekwalificeerd als een zaak des Heren. En dan is de hogepriester de bevoegde rechterlijke instantie.

Inmiddels was uit het voorbereidend onderzoek vast komen te staan dat het zou gaan om uitspraken die zwaar beledigend zijn voor de tempel en voor de Ene G’d. Maar vanwege elkaar tegensprekende getuigen was het niet mogelijk het bewijs rond te krijgen. Een reden te meer om bij de hogepriester aan te kloppen, Deut.17:8. 

Wanneer tijdens de terechtzitting de emoties hoog oplopen, blijken de verklaringen van de getuigen opnieuw niet overeen te stemmen en kunnen de te laste gelegde feiten niet worden bewezen. Dan neemt de hogepriester het woord.

En de hogepriester zei Hem: “Ik bezweer u bij de levende God, opdat u ons zegt, indien U de Christus bent, de Zoon van God.” Jezus zegt tegen hem: “Jij hebt gesproken. Indien ĺk het zou zeggen, zouden jullie stellig niet geloven. En indien ĺk zou vragen, zouden jullie Mij stellig niet antwoorden of loslaten. Bovendien zeg Ik jullie: jullie zult de Zoon des mensen zien, gezeten rechtsbuiten van de Kracht en komende met de wolken van de hemel.”

Hoewel Jezus leerde geheel niet te zweren Mt. 5:34-37, doet de hogepriester er nog een schepje bovenop en stelt hij zijn voorwaarde hoe te bewijzen indien Hij de Christus is. Verdraaid doet de hogepriester de belijdenis van Petrus weerklinken. Maar zo werkt het niet. Jezus benadrukt dat de hogepriester uit zichzelf spreekt. Daartegenover stelt Hij dat indíen Hij het zou zeggen zij Hem toch niet zouden geloven en indien Hij zou vragen zij Zijn vraag toch niet zouden beantwoorden noch Hem zouden loslaten. Tenslotte spant de profetie van Jezus, die ziet op en verre toekomst, de kroon, Ps. 110:1; Dan. 7:13.  

Toen scheurde de hogepriester zijn kleed door terwijl hij zei: “Hij heeft gelasterd. Wat hebben wij nog van getuigen nodig. Zie, nu hebben jullie zijn lastering gehoord. Wat dunkt jullie?” En zij antwoordden en zeiden: “Schuldig des doods is Hij.”

De hogepriester legde Jezus’ uitspraak uit als het lasteren van de Naam, Lev. 24:16, en is verontwaardigd om dit te horen. Hij scheurde zijn kleding door. Maar het was voor de hogepriester verboden zijn kleding door te scheuren, Lev. 21:10. Omdat hij dit toch deed, maakte hij duidelijk dat hij het woord van God niet naleefde. Zo plaatste hij zichzelf boven de wet, was hij ontheiligd en kon hij niet voor het aangezicht des Heren staan terwijl hij zijn onrechtvaardige uitspraak deed. Het te laste gelegde feit was namelijk niet begaan laat staan bewezen, zodat vrijspraak had moeten volgen.[ii]

En door zelfbehoud gedreven kon het dat menen de overhand kreeg over weten en de meerderheid van de raadsleden Hem veroordeelde tot de doodstraf.

Nu was het de Judeeërs niet geoorloofd iemand ter dood te brengen, want dat hadden de Romeinen aan zich voorbehouden, Joh. 18:31. Dus indien zij deze straf uitgevoerd wilden zien, moesten ze de zaak aanhangig maken bij de koning. Het werd dan het een zaak des konings, 2 Kron.19:11. Maar in zijn plaats kwam nu de bestuurder van Judea, die deze macht had en dat maakte hen nijdig. Het betekende ook dat er andere beschuldigingen ten laste moesten worden gelegd en te bewijzen waren. Nu wilde het geval dat er zo’n beschuldiging was. Want de Christus zijn tendeerde naar het koningschap, Joh.12:13; Micha 5:1.

Peter Kerstholt

 

[i] In het GNT wordt geen onderscheid gemaakt tussen hogepriesters (vertaald als overpriesters) en de leidende hogepriester. Zij die als hogepriester waren afgetreden of afgezet bleven namelijk de titel hogepriester voeren, zodat vooral uit de context blijkt wie dé hogepriester is.

[ii] Reeds eerder was Jezus van zulk een lastering beschuldigd geweest. De hogepriesters en Schriftgeleerden bleken namelijk niet in staat het Zoonschap te onderscheiden van de Ene God, Deut.6:5; Joh.5:18;10:33,36. Toen weersprak Jezus hun beschuldiging aldus: “Gij zijt goden,” Ps.82:6. Met deze verwijzing gaf de Heer deze psalm bovendien kracht van wet. Tevens was dit de hint (remez) dat de Israëlieten zonen van de Allerhoogste zijn en de Heer hun Vader, Deut.32:6. Maar tevergeefs, want dit werd door hén niet zo geloofd noch zo beleden.    

02-04-2021