Het goddelijk leven handhaven

Het goddelijk leven handhaven, Lukas 12: 13-21

En iemand zei vanuit de menigte tot Jezus: Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen. Maar Hij zei tegen hem: Mens, wie heeft mij tot rechter of scheidsman over jullie aangesteld?

Zojuist had Jezus gesproken over terecht staan voor overheden en machthebbers en dat deed een toehoorder denken aan zijn eigen kwestie over de verdeling van de nalatenschap. En hij vatte moed en wist van de gelegenheid gebruik te maken dit publiekelijk aan Jezus voor te leggen in het bijzijn van zijn broer die naast hem stond. Doch Jezus liet zich niet gebruiken of verleiden tot een uitspraak door zich als advocaat op te werpen, maar spreekt Zijn onbevoegdheid uit met het citaat uit Exodus 2:14, dat Mozes werd tegengeworpen toen hij zich bemoeide met een geschil tussen twee partijen terwijl hij niet was aangesteld als hun rechter. Dan waarschuwt Hij allen:

En Hij zei tegen hen: Kijk uit! En wees op jullie hoede voor de hebzucht, omdat iemands leven niet in het overvloeien van bezittingen is gelegen.

En daarmee legt Jezus de vinger op de zere plek en Hij geeft de bezielende wet: het goddelijk leven handhaven. Het willen-hebben of houden van stoffelijke goederen mag het goddelijk leven niet overheersen of verdringen. Dan zet samen recht doen onrecht lijden en onrecht doen opzij.  

En Hij zei tot hen een gelijkenis en sprak: Het land van een rijke man had veel opgebracht. En hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? Want ik heb geen ruimte om mijn vruchten op te slaan. En hij zei: Dit zal ik doen: Ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen en ik zal daarin al mijn koren en al mijn goederen opslaan. En ik zal tegen mijn ziel zeggen: Ziel, u hebt veel goederen liggen voor veel jaren. Neem rust, eet, drink, verheug je. Maar God zei tegen hem: Dwaas! In deze nacht zullen ze uw ziel van u opeisen; en wat u gereed gemaakt hebt voor wie zal het zijn? Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.

Het is de houding van de rijke man die maakt dat zijn besluit niet van wijs rentmeesterschap getuigt. Het ontbreekt hem aan nederigheid en geloof. Het is roem in hoogmoed, Jak.2:16, die hem belet de dingen in het juiste perspectief te zien. In plaats daarvan zou hij moeten zeggen: Als de Heere wil en ik leef, dan zal ik dit of dat doen. Maar nu spreekt hij uit zichzelf en meent zijn ideaal in eigen hand te hebben, terwijl de zeggenschap over zijn ziel buiten zijn macht ligt. Want eten, drinken en het goede genieten is een gave van God, Pred. 2:24. Bovendien blijkt de grotere opbrengst niet tot enige sociale activiteit te leiden, dat zijn zelfgerichtheid nog eens onderstreept.

Deze gelijkenis maakt duidelijk dat een grote voorraad hebben of een overvloed aan materiële goederen verzamelen geen garantie biedt voor een lang en onbezorgd leven en dat het ontbreken van een juiste houding afhoudt van leven zoals God het wil.

Peter Kerstholt

22-10-2022