De gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar

De gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar, Luk. 9:9-14

En Hij zei ook tot sommigen die op zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren en de anderen minachtten deze gelijkenis:

Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden, de één Farizeeër en de ander tollenaar.

In deze gelijkenis staat de opgang tot God centraal. Twee stereotypen worden daarbij naast elkaar gezet. De voorstelling van een Farizeeër als een man in een gebedskleed met gebedsriemen om en een fylacterion op het voorhoofd, die zich nauwgezet aan de wetten hield. De  tollenaar als een collaborateur, die mogelijk van corruptie werd verdacht. Deze constatering noopt echter niet tot het zo maar uitspreken van een oordeel. Het gebed van beiden geeft daartoe meer inzicht.

De Farizeeër staande bad dit bij zichzelf: “O God, ik dank U dat ik niet zoals de overige mensen ben: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook zoals deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles zoveel ik bezit.”

Het gebed van de Farizeeër begint bij zichzelf. Op grond van zijn godsdienstigheid maakt hij onderscheid met als doel zichzelf zacht te spiegelen. Hij sluit het lijstje overtreders af met het noemen van een wel zeer ongelijk geval, namelijk de tollenaar, dat vrijwel synoniem was voor zondaar, wiens beroep alleen al zijn identiteit verraadde. Daartegenover somt hij vervolgens zijn goede werken op. En zo eindigt hij het gebed, dat een onderschrijving is van hemzelf.

De tollenaar stond van verre, wilde zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst zeggende: ”O God, verzoen mij de zondaar.”

De tollenaar daarentegen erkende dat hij de zondaar was. Zijn lichaamstaal en plaats in de tempel sprak boekdelen. Verootmoediging en schuldbesef sieren hem. Niet alleen vanwege de dingen die hij anders had kunnen en behoren te doen, maar ook vanwege de algehele toestand die inherent is aan het menselijke bestaan. Met hoofd en hart erkende hij nu deze waarheid. Hij had berouw en beleed het in dat ene allesomvattende woord. Het beroep op Gods barmhartige vergevingsgezindheid is niet tevergeefs. In overeenstemming met het “vergeef ons onze schuld” van het Onze Vader. Een gebed van zes woorden. Zo eenvoudig, zo oprecht.

Ik zeg u: “Deze ging gerechtvaardigd naar zijn huis, in tegenstelling tot die daarginds. Want een ieder die zichzelf verhoogt zal vernederd worden en die zichzelf vernedert zal verhoogd worden.”

God is goedertieren, Hij is genadig, voortdurend. Tot vergeving van zonden. Zonder veroordeling en zonder strafoplegging.  

06-11-2022