De jongste zoon, deel 1

Gedachten bij de gelijkenis die bekend staat onder de naam: de verloren zoon. Een gelijkenis die de climax is die volgt op een tweetal gelijkenissen die de blijdschap onderstrepen over één zondaar die zich bekeert, Lukas 15: 11-20.

Een zeker mens had twee zonen en de jongste van hen zei tot de vader: “Vader, geef mij de toevallende portie van het bezit.” En hij verdeelde onder hen de middelen van bestaan.

In het begin van deze gelijkenis vallen een drietal dingen op. Het eerste is: hoe kan deze zoon nu vragen om zijn (erf)deel? Een samenwerkingsvorm tussen vader en zoon in de vorm van een firma of maatschap was in die tijd ongebruikelijk, zodat deze grond voor scheiden en delen ontbrak. En in die tijd bestond er geen bepaling waaruit blijkt dat als de nalatenschap van de moeder nog onverdeeld was een kind dit konden vorderen. Want volgens het bijbels erfrecht is het zo dat wanneer iemand sterft zijn erfelijk bezit overgaat op zijn zoon, Numeri 27:8. Deze bepaling ziet uitsluitend op het sterven van de vader. En voor het geval de moeder langer leeft dan de vader, zou de zoon haar dienen te onderhouden uit het erfelijk bezit. Maar in dit geval verdeelt de vader de middelen van bestaan reeds bij zijn leven onder zijn zonen.

De werkelijke reden die ten grondslag lag aan het verzoek van de jongste zoon is dat hij dacht aan zichzelf. Hij wilde zijn eigen leven leiden en daarvoor had hij het deel van het bezit dat hem toe zou komen nodig.    

De vader willigt bij zijn leven de wens van de jongste zoon in, omdat hij hem alzo liefheeft, ofschoon hij hem zijn portie op zo'n manier geeft dat het vaderhuis en de onderneming intact blijven. Bovendien krijgt de oudste zoon ook al zijn portie, terwijl de vader hiervan kennelijk het vruchtgebruik houdt. Of de oudste zoon een dubbel deel ontving, Deut. 21:17, is niet duidelijk, zodat de vader ook een andere verdeelsleutel dan ⅓ : ⅔ kan hebben gehanteerd. Als beide zonen in het geval van ⅓ : ⅔ de helft van de levende have en de voorraden krijgen, bedraagt de waarde van de overige bezittingen evenveel als de waarde van de helft van de levende have en de voorraden.

En na niet veel dagen verzamelde de jongste zoon alles en ging weg van zijn volk naar een ver land en daar verkwiste hij zijn vermogen, terwijl hij losbandig leefde. En toen hij alles van hem er had doorgebracht, ontstond er een zware hongersnood in dat land en begon hijzelf nooddruftig te worden. En hij ging heen en sloot zich aan bij een van de burgers van dat land en die stuurde hem naar zijn akkers om de varkens te hoeden. En hij begeerde zijn buik te vullen met de vruchten van de Johannesbroodboom waarvan de varkens aten, maar niemand gaf aan hem.

Zo zat de jongste zoon bij de pakken neer, gedesillusioneerd, terwijl hij de honger voelde knagen. Het Johannesbrood, dat verwijst naar Johannes de Doper. Sommigen dachten namelijk dat deze Johannes geen sprinkhanen at, maar de vruchten van deze boom, omdat in het Hebreeuws de naam van deze boom gelijkenis toont met het Hebreeuwse woord voor sprinkhaan. Deze vruchten zijn zoet en voedzaam, want ze bevatten veel suiker en zetmeel. Het zaad van deze vrucht werd ooit gebruikt door de oude Grieken als tegenhanger bij het wegen van goud. Hiervan is de gewichtseenheid genaamd karaat afkomstig. Uit deze vrucht werd ook eau de vie gedestilleerd. Een drank die te koop werd aangeboden voor weinig geld.

Zo kwam hij tot nadenken en hij zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed en ik verga hier van de honger? Ik ga weer terug naar mijn vader en ik zal hem zeggen: "Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; niet ben ik meer waard uw zoon te worden genoemd, maar neem mij aan als een van uw dagloners."

Het Johannesbrood en zijn gebrek lijden deden hem denken aan betere tijden, aan thuis, aan vader. Zo komt de jongste zoon tot zichzelf, tot inkeer. Hij vat het plan op terug te keren. Had deze benjamin aan Juda gedacht toen deze in hongersnood verkeerde? "Wat zal ik tegen mijn vader zeggen? Wat zal ik spreken?" Waarmee kan ik mij rechtvaardigen? Gen. 44:16. God heeft hem zijn misdaad doen inzien. Hij had het woord eer uw vader en uw moeder niet gehouden. En zich daarmee afgesneden van de belofte die daaraan is verbonden. Voor het oog van de wereld leek hij succes te hebben gehad, maar door het oog van God was hij afgevallen, als een wees in een ver land. Wat hij voor vrijheid had aangezien, was in werkelijkheid eigenwijsheid. Het ontbreken van verantwoordelijkheidsbesef en het ontberen van ouderlijk toezicht hadden de bedelstaf binnen handbereik gebracht. Maar nu was de maat vol. Het verlossende woord zal hij spreken. En zie dagloner van zijn vader zijn als oplossing. Overtuigd en vastberaden als de lange weg terug is, staat hij op en gaat op weg.

Peter Kerstholt

08-07-2019