De jongste zoon, deel 2

De terugkeer van de jongste zoon. Na vele jaren weggeweest te zijn nadert de jongste zoon het ouderlijk huis, Lk.15: 20-32.

De jongste zoon, deel 2

En toen hij nog ver verwijderd was zag zijn vader hem. En hij was met ontferming bewogen en liep op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk. En de zoon zei tot hem: “Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u. Niet ben ik waard uw zoon genoemd te worden.”

Wanneer de vader zich op de deel bevindt, ziet en ontwaart hij in de verte zijn zoon. Met mededogen loopt hij hem tegemoet. Met zijn hartelijke begroeting neemt hij de schade en de schande van zijn zoon weg voor iedereen. Dan spreekt de zoon zijn schuldbelijdenis uit. Maar zijn voornemen om dagloner te worden haalt het niet. Want nog voordat dit voorstel over zijn lippen komt is de vader hem voor.

En de vader zei tot zijn dienaren: “Snel, breng het eerste, het beste gewaad tevoorschijn en doe het hem aan en geef een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten. En breng het vette kalf, slacht het en laten we eten en ons verheugen. Omdat die zoon van mij dood was en weer leeft, hij was verloren en is gevonden.” En zij begonnen zich te verheugen.

De grote vreugde die de wederkomst teweeg brengt bij de vader is een feestvreugde. En zo’n vreugde laat zich aanzien in de kleren, zelfs de beste kleding die voorhanden is. En een ring en schoenen als tekenen van gezag en waardigheid. En op een waar feest ontbreekt een maaltijd niet. Gezamenlijk eten als verzegeling van verbondenheid en vriendschap. En het gemeste kalf is het summum. Speciaal voor deze gelegenheid bewaard. Ondertussen waren de muzikanten onder de dienaren opgetrommeld, die samen een ware symfonie ten gehore brachten waarbij ook werd gedanst. De feestvreugde was in volle gang. Want de zoon die overal buiten stond is weer levend terug.

En zijn oudste zoon was op de akker. En terwijl hij zo ging, kwam hij dichtbij het huis, hij hoorde meerstemmige muziek en dans. En nadat hij een van de knechten tot zich had geroepen, vroeg hij wat dit was. En die zei tegen hem: “Je broer is gekomen en je vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem in goede gezondheid heeft terugontvangen.” Hij werd toornig en wilde niet naar binnen gaan.

De oudste zoon is boos. Hij vindt het niet rechtvaardig. Hoe kon er nu feest zijn voor iemand die de zaak zo heeft verstierd. Nooit heeft hij een feestje gehad en nu dit. Zonder zijn medeweten.

En zijn vader kwam naar buiten en drong bij hem aan, maar hij antwoordde, hij zei tot zijn vader: “Zie, zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw gebod overtreden en aan mij heeft u nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden me te verheugen. En nu die zoon van u, die uw middelen heeft verbrast met hoeren, is gekomen heeft u voor hem het gemeste kalf geslacht.”

De vader komt de oudste zoon tegemoet. En hij maant hem naar binnen te gaan. Maar de oudste zoon denkt aan zichzelf en somt zijn vele trouwe dienstjaren op. Niet een keer heeft hij een gebod overtreden en desondanks nooit een bokje gekregen om feest te vieren met zijn vrienden. Deze lijst van goede werken staat toch in schril contrast met hetgeen zijn jongere broer heeft bereikt? In zijn boosheid weet hij van hem nog op te dissen dat hij met hoeren verkeerd heeft. Vrouwen die handel drijven met hun lichaam. Hoe kan hij dat nu weten? Hij was er toch niet bij? Waarschijnlijk van horen zeggen. Van horen zeggen liegt men veel is het spreekwoord. Maar diverse spreuken schijnen nog meer bewaarheid: Wie met hoeren verkeert, verkwanselt zijn vermogen. Een valkuil is zo’n meretrix. Maar de vader gaat er niet op in. Want dit is vergevende vaderliefde. Deze oprechte bekering die vanzelfsprekend berouw insluit is door hem ontvangen met grote blijdschap en die overstroomt en derogeert een klacht.

En hij zei tot hem: “Zoon, jij bent altijd bij mij en al het mijne is jouwe. Wij moeten ons verheugen en blij zijn vanwege je broer, die dood was en weer leeft en verloren was en is gevonden.”

Ook voor deze zoon is er vergeving wanneer de vader zijn hart laat spreken. En het gezamenlijk bezit en het omarmen van de meervoudsvorm onderstrepen dit. Het is tenslotte zijn broer, die levend is teruggekeerd. Zal de oudste dit beamen?

Peter Kerstholt

11-08-2019