Tienden in het Nieuwe Testament

Tienden in het Nieuwe Testament

Het aantal teksten in het Nieuwe Testament dat over tienden gaat is op twee handen te tellen. Jezus sprak over tienden, want de Schriftgeleerden en Farizeeën gaven tienden (een tiende deel) van kruiden zoals munt, dille en komijn, Mt.23:23, Lk.11:42. En in de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar laat de eerste zich voorstaan op het geven van tienden van al zijn inkomsten, Lk.18:12. Deze Farizeeër was een agrariër en of veehouder.

Het geven van tienden was voor het volk van Israël bij de wet voorgeschreven, namelijk voor hen die bepaalde beroepen uitoefenden, Lev 27:30. Al deze tienden kwamen toe aan de Levieten, want deze stam had geen stuk land als erfdeel. Tienden werden niet alleen gegeven van de zaden van allerlei gewassen en van de vruchten van allerlei bomen, maar ook van runderen en kleinvee zoals schapen en geiten. De tienden werden verzameld in het schathuis.

De andere zes teksten die over tienden gaan staan in de brief aan de Hebreeën, 7:2-9. Reeds Abraham gaf de tiende van alles aan Melchisedek. Abraham gaf volgens Hebr.7:4 de tienden van de buit, die hij had overgehouden aan de bevrijding van zijn neef Lot. En de schrijver van deze brief memoreert aan het feit dat zelfs de Levieten door Abraham onderworpen zijn aan het tiendrecht. In ieder geval is er het voorschrift dat de Levieten ook een tiende van de tienden geven aan de God van het Verbond, Num. 18:26.

 

Peter Kerstholt  

12-09-2019