Bron van levend water

In de dialoog met de Samaritaanse vrouw verkondigt Jezus de kern van het evangelie, Joh.4: 4-26. De verteltrant is typisch Judees te noemen, dat niet alleen tot uiting komt in de woordvolgorde, maar ook in het afwisselende gebruik van de verleden tijd en de tegenwoordige tijd. Het laatste maakt de tekst levendig wanneer deze hardop wordt (voor)gelezen. Het eerste drukt hier en daar een mogelijkheid, wens of bevel, die niet in vervulling gaat, uit. Bij het vertalen is voorbijgegaan aan de menselijke conventie genaamd praesens historicum, dat is de afspraak om een tegenwoordige tijd als verleden tijd te vertalen.

Jezus verliet Judea en ging weer naar Galilea. Hij moest doorgaan door Samaria. Hij nadert dan tot een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij de landstreek die Jakob had gegeven aan zijn zoon Jozef. En daar was de bron van Jakob.

Het land van Israël bestond uit verschillende gebiedsdelen. Om vanuit Judea naar Galilea te komen was drie dagen lopen. De route door Samaria nemen was de kortste weg verenigd met Gods plan. De bron van Jakob lag in dit heuvelgebied waar Jakobs zonen opgroeiden. Jakob had destijds dit stuk land zelf gekocht, Gen.33:18,19; 48:22; Jos.24:32. Het is het land waar Jozua het volk de beslissende keuze voorhield.

Jezus nu moe geworden van de weg banen zat zo neer bij de bron. Het was omtrent het zesde uur. Nadert een vrouw uit Samaria om water te putten. Zegt Jezus haar: “Geef mij ‘ns te drinken”. Want de leerlingen van Hem waren weggegaan naar de stad, om voedsel te kopen. Nu zegt die Samaritaanse vrouw tot Hem: “Hoe vraagt gij, een Judeeër, van mij te drinken, van een Samaritaanse vrouw?” Want Judeeërs gaan met Samaritanen niet om.

De zon staat hoog aan de hemel. Jezus is alleen en met de noodzakelijke levensbehoefte water als aanleiding neemt Hij het initiatief een slok te vragen. De Samaritaanse hoort aan Jezus’ stem en ziet aan zijn kleding dat Hij geen Samaritaan is. Hoe kan Hij nu een teug vragen?! Want Samaritanen zijn voor Judeeërs allochtonen. De geschiedenis van de komst van de Samaritanen, dat is beschreven in het boek der koningen van Israël en van Juda. En hoe zij ten strijde trokken tegen Jeruzalem in het boek van Nehemia.  

Antwoordde Jezus en zei haar: “Indien gij had geweten van de gave van God en wie Hij is die tot u zegt, geef mij ‘ns te drinken dan zou gij Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.” Zegt de vrouw tot hem: “Heer u hebt niet eens een emmer en de put is diep. Vanwaar hebt gij levend water? Toch niet groter bent U dan onze vader Jakob die ons de put heeft gegeven en er zelf uit dronk en zijn zonen en zijn vee.”

Jezus brengt de boodschap van leven. Hij stelt zich voor als de bron van levend water, Jer.17:13. Maar de betekenis van wat Hij zegt en wie Hij is dringt niet tot haar door. Zij ziet aan wat voor ogen is, dat Hij geen emmer heeft en niet bij stromend water kan. Want ‘levend’ water stroomt. En deze put is tientallen meters diep. Ze neemt Hem de maat, doch zonder de maat te halen. En ze beschouwt zichzelf als afstammeling van Jakob en rechtmatige inwoner van Samaria.

Antwoordde Jezus en zei haar: “Ieder die drinkt van dit water, zal weer dorst hebben. Maar die gedronken zal hebben van het water van dat Ik zal geven aan hem, zal zeker geen dorst hebben tot in de eeuwigheid, maar het water dat Ik zal geven aan hem zal in hem worden een bron van water opwellend tot eeuwig leven.”

Het levende water is voor de vrouw onzichtbaar. Daarom stelt zij de bronvraag. Waarop Jezus de natuurlijke eigenschappen naast de bovennatuurlijke stelt. Zo raakt het hemelse aan het aardse. En komt de volmaakte mens, die God waardig is, dichtbij.

Zegt de vrouw tot hem: “Heer, geef mij dat water eens, opdat ik geen dorst heb en me niet begeef hier te putten.” Zegt Hij haar: “Ga heen, roep uw man eens en kom hier.” De vrouw antwoordde Hem en zei: “Ik heb geen man.” Zegt Jezus haar: “Wel gesproken, dat geen man heb ik. Want vijf mannen had gij en die gij nu hebt is niet uw man. Dit hebt gij waar gezegd.”

Het levende water past niet in een aarden kruik. Want wie tot Hem komt, moet geloven dat Hij bestaat én de overtuiging bekomen van de waarheid die zij níet ziet. En tot haar sprekend weerkaatst Hij man voor levend water. Dat werkt. Pardoes spreekt ze de waarheid. Ze heeft geen man. Maar er is wél een man. Zo zegt Jezus haar de waarheid voor van wat zij meent dat Hij niet ziet doch zij wel weet.   

Zegt de vrouw hem: “Heer, ik zie in dat Gij profeet zijt. De vaderen van ons aanbaden op deze berg, maar jullie zeggen dat in Jeruzalem de plaats is waar aanbidden moet.”

De Geest des Heren is op Hem. Hij is een profeet. En Hij zegt haar wat ze gedaan heeft. Dat de rode draad in haar leven de relatie met een man is. In goede tijden en in slechte tijden. En daarop zegt zij handig en waar voor waar voor ieder volk de plaats van aanbidden is. Op die berg als begin van leven of in de stad van vrede.             

Zegt Jezus haar: “Geloof Mij vrouw, dat een uur komt dat noch op deze berg noch in Jeruzalem jullie de Vader zullen aanbidden. Jullie aanbidden wat je niet weet. Wij aanbidden wat wij weten, dat de bevrijding uit de Judeeërs is. Maar een uur komt en is nu dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in Geest en waarheid. Want zelfs de Vader zoekt zodanigen, die Hem aanbidden. God is Geest en die Hem aanbidden moeten in Geest en waarheid aanbidden.”

Jezus geloven. Dat is eeuwig leven in een ogenblik ontvangen. Dan gaat het in het leven om een relatie met de Vader. En Hij voorzegt dat er Samaritanen zullen komen die geloven. Want God vereren en schimmen leidt tot schaduwen minnen. Doch de opgang van Jezus brengt bevrijding uit de dood van onwetendheid. Omdat Jezus geloven de heilige Geest doet bekomen. De Geest Gods, Die uitgaat van de Vader en de Zoon, de Man die in het verborgene ziet en de waarheid weet.            

Zegt de vrouw Hem: “’k Weet dat de Messias komt, die wordt genoemd Christus. Wanneer die eens komt, zal Hij ons alles weer vertellen.” Zegt Jezus haar: “Ben Ik Die met u spreek.”

 

Peter Kerstholt

 

06-10-2019