De barmhartige Samaritaan

De barmhartige Samaritaan, Lukas 10: 25-37

Nadat Jezus het antwoord had goedgekeurd op de vraag wat de weg naar het eeuwige leven is, stelde de wetgeleerde een volgende vraag over de interpretatie van het woord naaste.

En hij wilde zichzelf rechtvaardigen en zei tot Jezus: “En wie is mijn naaste?”

Er is bij de wetgeleerde een bepaalde hardnekkigheid te bespeuren, Deut.9:6. Dit woord betekent immers zowel dichtbij als naaste. Hoe dichtbij is iemand, al dan niet bepaald, als die je naaste is? Is dat in afstand uit te drukken of is dichtbij wat je dichtbij vindt?  

En terwijl Jezus het opnam zei hij: “Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en hij werd rondom overvallen door rovers, die hem zowel afstroopten als slagen toedienden. Ze gingen weg terwijl ze hem halfdood achterlieten.”

Jezus nam het op tegen deze eigengerechtigheid van de wetgeleerde om die te overwinnen. En Hij gaf een opgave in een verhaal vorm. Daarin speelde zich op de weg van het heilighuis naar het lustoord het drama af van een man die aan den lijve het tegenovergestelde ondervond van liefhebben. Want zo dichtbij kwamen deze rovers om hem in elkaar te slaan. Zij brachten de man opzettelijk, dat is willens en wetens, lichamelijk letsel toe. Omdat het feit de halfdood tot gevolg had, leek er zelfs sprake te zijn van zware mishandeling. Tevens was er sprake van beroving, dat is diefstal vergezeld van geweld gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, althans van een poging tot beroving. Daarbij was er sprake van voorbedachte rade en van opzettelijke deelneming aan een aanval waarin onderscheiden personen zijn gewikkeld. Verder was gebleken dat de overvallen man volstrekt geen geweld heeft gebruikt. Ze lieten hem hulpeloos liggen ...

“Bij toeval daalde een zekere priester af in die weg daar en terwijl hij hem zag ging hij aan de overkant voorbij. Gelijkerwijs kwam ook een Leviet naar beneden naar die plek en terwijl hij hem zag ging hij voorbij aan de overkant.”

Die weg was verlaten en rotsachtig en voer naar beneden tussen kloven en spelonken. Een priester had tot taak het brengen van offers, recht te spreken en onderricht te geven, Deut.17:8-13; 21:5; 33:10. Hij was een man in aanzien. Voor hem gold het voorschrift dat hij zich niet mocht verontreinigen aan een dode, Lev.21:1. Toen deze priester de man zag liggen, bekroop hem de gedachte dat deze wel eens dood zou kunnen zijn, want hij bewoog niet. En zo hij zag was het ook geen naaste bloedverwant van hem. En het zekere voor het onzekere nemende, liep hij aan de overkant van de weg voorbij. De Leviet, die tot taak had de priester te assisteren, ging ook op afstand van de gewonde aan de overkant voorbij. Hiermee schetste Jezus wat er aan de hand was bij de dienaren van de tempel en van de wet, die het hart van God zouden moeten betonen.

“Een zekere Samaritaan, die op reis was, kwam en terwijl hij hem zag kreeg hij medelijden. Hij ging er naar toe, verbond zijn wonden, goot er olijfolie en wijn op en tilde hem op het eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem. En de volgende morgen, terwijl hij vertrok, gaf hij twee denariën aan de waard en zei: “Zorg voor hem en dat wat u nog meer besteed, zal ik bij mijn terugkomen betalen.””

De Samaritaan ontfermde zich over de gewonde en verbond zijn wonden. De olijfolie die hij op de wonden goot, had een verzachtende en pijnstillende werking en remde  ontstekingen, terwijl linnen in wijn gedrenkt infectie tegen ging en een licht verdovende werking had. De Samaritaan getrooste zich moeite en inspanning om zijn medemens in nood te helpen. Gebruikte zijn vaardigheden en de hem beschikbare middelen. En hij zag het bieden van nazorg niet over het hoofd.

“Wie van deze drie schijnt jou naaste geworden van de door rovers overvallene?” En hij zei: “Die hem barmhartigheid heeft gedaan.” En Jezus zei hem: “Ga heen en gij, doe gelijkerwijs.”

Toen Jezus zijn verhaal had beëindigd, stelde Hij de wetgeleerde een vraag om te horen of hij het had begrepen. En andermaal gaf hij het goede antwoord. Want naaste zijn voor iemand in nood is niet alleen deze zien, horen of voelen, maar het is juist de innerlijke ontferming die het hem doet. En de Heer zond hem heen met de opdracht evenzo te doen. Voor de wetgeleerde was er nog een weg te gaan. Het woord niet alleen observeren en interpreteren, maar ook toepassen. Dat zou zijn levensloop veranderen. En deze barmhartigheid, die blijkt dezelfde als de barmhartigheid die God betoonde, Lk.1:78.

Peter Kerstholt

 

 

06-12-2019