Een zaak des konings

Een zaak des konings  Joh.18: 29-31; 33-38

Nu waren de Romeinen niet gewoon een kroon te geven behalve aan hen die van  koninklijk geslacht waren. Een uitzondering was Herodes geweest, de laatste koning van Judea. Nadat hij was gestorven was zijn kroon niet op een van zijn zonen overgegaan. Want alleen de keizer had de macht iemand de koningstitel te verlenen en die had besloten de gedragingen als koning van Herodes’ zoon Archelaüs niet te bekrachtigen.

Destijds had koning Herodes getracht zonder vorm van proces de pasgeboren Koning der Joden te doden. Met deze historie in het achterhoofd en met de doodstraf voor ogen togen de hogepriesters en Schriftgeleerden naar de stadhouder van Judea, de vertegenwoordiger van de keizer en rechter ter plaatse, om een exequatur te verkrijgen.

De stadhouder Pilatus was gewoon op de zesde dag van de week ’s morgens vroeg zitting te houden. Toen hij naar buiten kwam en de zaak van de Heer zich aandiende, opende hij het proces met de vraag:

“Welke aanklacht brengt u tegen deze Mens in?” Zij antwoorden en zeiden tegen hem: “Indien Deze geen kwaaddoener was, zouden wij Hem niet aan u hebben overgeleverd.” Pilatus dan zei tegen hen: “Nemen jullie Hem en oordeel Hem volgens jullie wet.” De Judeeërs zeiden dan tegen Hem: “Ons is het niet geoorloofd te doden, zelfs niet één.”

De Joden trachtten tot een fiattering van hun eigen veroordelend vonnis te komen. Maar zo verwees Pilatus hun zaak resoluut terug. Toen lieten ze de opgelegde straf horen. Pilatus besloot een nader onderzoek in te stellen. En wel binnen het gerechtsgebouw zonder de boze raadsleden en het oproerige volk erbij. De beschuldigingen die hij buiten had gehoord waren tegen Romeins bestuur gekant, Lk. 23:2. Nu was het aan Pilatus de feiten en de omstandigheden over wat was gebeurd te weten te komen, het recht te vinden en om recht te doen. Pilatus stelde zijn vraag, die was gericht op het voornaamste bewijsmiddel, namelijk een bekentenis van Jezus zelf.

U bent de Koning van de Judeeërs?” Jezus antwoordde hem: “Zegt u dit uit uzelf of hebben anderen over Mij gesproken?” Pilatus antwoordde: “Niet toch ben ik een Judeeër?”

Jezus zegt niet tegen Pilatus dat Hij Koning is. Daarentegen wil Hij van Pilatus horen hoe hij er toe komt Hem dit te vragen. Is Pilatus tot zijn vraag gekomen uit zichzelf, zoekt hij zijn eigen eer? Of door horen zeggen wat anderen over Hem zeiden? Het eerste heeft te maken met de eigen waarneming of wetenschap van de rechter dat als bewijsmiddel telt, het tweede is een testimonium de auditu (getuigenis van horen zeggen) waaraan geen bewijs kan worden ontleend. Doch Pilatus ontwijkt deze vraag van Jezus en antwoordt met een wedervraag. Ik ben toch geen Jood? Zo dient zijn eigen spreken niet als enig bewijs en lijdt hij als rechter geen gezichtsverlies door anderen na te praten. Onder de Joden was namelijk een tweedeling omtrent Jezus’ koningschap. Sommigen spraken uit zichzelf, maar anderen praatten sommigen na. Pilatus besluit zich bij de feiten te houden.  

Uw volk en hogepriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat heeft U gedaan?     

Jezus antwoordde: Het Koninkrijk het Mijne is niet van deze kosmos. Indien Mijn Koninkrijk van deze kosmos was, zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Judeeërs overgeleverd zou worden. Maar nu, Mijn Koninkrijk is niet van hier.” Pilatus zei dan tot Hem: “Dus een Koning bent U.” Jezus antwoordde: “U zegt dat Ik Koning ben. Ik ben hiervoor geboren en hiervoor in de kosmos gekomen, opdat Ik getuig voor de waarheid. Iedereen die uit de waarheid is, hoort naar Mijn stem.” Pilatus zei tegen Hem: “Wat is waarheid?”  En nadat hij dat gezegd had ging hij weer naar buiten naar de Judeeërs en zei tegen hen: “Ik vind geen schuld in Hem.”

Jezus proclameert Zijn Koninkrijk tot driemaal toe. Dit Koninkrijk is niet van deze wereld, is niet zoals de koninkrijken op deze aardbol. Zijn Koninkrijk beschikt niet over een gewapende troepenmacht, zodat er geen gewelddadige verdediging noch offensief aan te pas komt. Zijn Koninkrijk bestaat uit gerechtigheid, vrede en blijdschap. Dat wordt door de aanklagers niet begrepen. Pilatus hoort het antwoord op zijn eerdere vraag. Jezus is Koning. Zo constateert Pilatus in die zin een bekentenis. En Koning Jezus komt tot Zijn doel, dat is om van de waarheid te getuigen. Niet alleen de waarheid als overeenkomst tussen begrip en werkelijkheid, maar juist van de waarheid als overeenkomst tussen God en mens. Naarmate de mens tot God nadert, vindt hij zijn ware gelijkenis en identiteit. Jezus doelt op de Geest van de waarheid, die iedereen zal ontvangen die tot geloof in Hem komt; die wederom geboren wordt. Dit laatste kon Pilatus niet bevatten, want de Geest was nog niet gekomen, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt. Pilatus' vraag is zijn antwoord. Want sommigen spreken de waarheid, maar anderen spreken de waarheid niet en dat is ook weer de waarheid. Het Koninkrijk waar Jezus over spreekt, ziet hij niet. En het geloof van die centurio heeft hij niet. Het horen is ten einde. Pilatus gaat naar buiten en zegt de Joden dat hij geen schuld in Hem vindt. Jezus kon noch behoorde anders te handelen dan Hij heeft gedaan.  

wordt vervolgd

Peter Kerstholt

04-01-2020