De rijke bestuurder

De rijke bestuurder, Lukas 18: 18-27

En iemand, een bestuurder, vroeg Hem en zei: “Goede Leraar, wat moet ik doen om eeuwig leven te beërven?” 

Het is dezelfde vraag die de wetgeleerde stelde aan wie Jezus het verhaal van de barmhartige Samaritaan vertelde. Maar deze vragensteller heeft een andere houding. En in die tijd was niet zozeer de vraag: Waartoe ben ik op aarde? Maar veeleer: Wat moet ik doen om eeuwig leven te beërven? De vraag van een verstandige goedwillende man. Niet het nuttigheidsdenken staat voorop, maar leven, intrinsiek waardevol, zonder levenseinde.

En Jezus zei tot hem: “Wat noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Eén: God. De geboden weet je: Niet zul je echtbreken, niet zul je doden, niet zul je stelen, niet zul je vals getuigen, eer je vader en moeder.”

De Heere is Eén, Deut.6:4. Met deze absolute uitspraak geeft Jezus Zijn Vader de eer. Go(e)d staat onbetwist op de eerste plaats. Hij is Eén. God1. Alvorens Jezus vijf geboden noemt, komt Hij hem enigszins tegemoet, want de geboden kent hij heel goed. Van jongs af aan. Vijf geboden van de decaloog als richtingaanwijzers. In een volgorde die tot nadenken stemt. Is het met het oog op zijn positie dat hij moet oppassen voor overspel en echtbreuk? En andere zaken waarmee hij als regeerder of leider te maken krijgt zoals macht en geld? Onrechtvaardige rijkdom ligt op de loer. Ook al gaat de leugen nog zo snel de waarheid achterhaalt haar wel. Je vader en moeder eren, want zij staan aan het begin van je leven, ook al schop je het nog zo ver. Opmerkelijk is dat de Heer het gebod niet iets begeren dat van uw naaste is niet noemt. Kennelijk was deze bestuurder zo rijk dat hij alles bezat, zodat hij vanaf zijn jeugd niet iets begeerde van zijn naaste. Een megarijke.         

En hij zei: “Deze alle heb ik gehouden vanaf mijn jeugd.” En toen Jezus dit hoorde zei Hij hem: “Nog ontbreekt jou: Al wat je hebt verkopen en verdelen onder armen en je zult een schat in de hemel hebben en kom en volg Mij.” En toen hij dit hoorde werd hij diep bedroefd, want hij was zeer rijk.

De goedwillendheid van de bestuurder blijkt uit het houden van deze geboden. En hij krijgt als enige een uitnodiging Jezus te volgen naast de twaalf leerlingen. Jezus had hem lief. Toch blijkt bij hem van een bepaalde binding. Want het tegenovergestelde van begeren is afstand kunnen doen van. Onthechting. Afstand doen van al wat je hebt anders kan je Zijn leerling niet zijn. En de eerste vier geboden van de decaloog? Die zijn in Christus. Hem volgen, Zijn reisgezel zijn, is deze geboden houden.

En toen Jezus hem zeer bedroefd geworden zag, zei Hij: “Hoe moeilijk gaan zij die goederen hebben het Koninkrijk van God binnen. Want makkelijker is een kameel naar binnen door een opening van een naald dan een rijkaard naar binnen in het Koninkrijk van God.” En zij die hoorden zeiden: “Wie kan het heil ontvangen?” En Hij zei: “De onmogelijkheden voor mensen zijn mogelijkheden voor God.”

Hoe moeilijk is niet onmogelijk, maar deze uitdrukking die meteen begrepen wordt, maakt toch wel duidelijk dat het onmogelijk is, want een kameel kan niet door het oog van een naald. Hier te lande is daar het gezegde: Als de kalveren op het ijs dansen. Een uitdrukking voor iets dat nooit gaat gebeuren. Wie kan zichzelf dan redden? Wie kan dan zalig worden? Voor God zijn deze dingen mogelijk. Want het heeft God behaagd door de prediking zalig te maken hen die geloven.    

Peter Kerstholt  

12-08-2020